Het woord ‘examens’ verovert zich weer een dominante plaats in mijn hersenpan. Dat wil zeggen: elk springuur is een bezoekje aan de Boekentoren waard. De voorbije weken werkte ik onverdroten aan mijn lectuur van ‘de Laelius oftewel Laelius de amicitia‘ (Cicero). Het effect op de gezichten van je wetenschappen- of alleszinds iets-met-statistiek-studerende buren is, hoewel zeer voorspelbaar, het observeren waard. Nieuwsgierige blikken veranderen snel in subtiele ik-ben-vooral-niet-vreemd-aan-het-kijken-blikken wanneer ze de titel van je woordenboek opmerken. Diezelfde blikken gaan dan richting buurvrouw of -man en beiden kijken elkaar bevreemd aan. (Ik weet niet of daaruit ooit als iets moois is gebloeid, maar ik beeld me altijd in van wel.) Vluchtig heen-en-weer-gekijk naar mijn cursus: What the f*ck is die aan het doen? Een enkele durver vraagt dan wat ik studeer, wat ik ermee gaan doen en of ik leerkracht zal worden. Met zo’n opgetrokken neus, alsof je de stront van je bekakte latijnstudentjes gaat oprapen in plaats van ze de naamvallen te laten opdrammen. Of je wordt zo’n nutteloze sukkel, waarvoor zij later belastingen moeten betalen. Ter afronding voegt, alvorens voor naar zijn statistiekjes terug te keren, er nog aan toe: “Tsja, ik heb Latijn gedaan tot het vierde, maar daarna ben ik ermee gestopt.” Het klapke van “maar daarna wordt het pas leuk”, laten wij ondertussen al lang achterwege.
-
Meest recente berichten
Archief
Blogroll